Verkiezingen
Met de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart op komst kan men tal van
onderwerpen bedenken die explosief materiaal bieden en avond aan avond
praatprogramma’s kunnen vullen. Pensioen en werk, migratie, zorg,
inkomensongelijkheid en ga zo maar door. Er is echter nog een thema dat
raakt aan veel van deze zaken en dat voor sommige partijen ook hun
belangrijkste troef in de verkiezingen is: discriminatie en gelijke kansen.
De allereerste regel van de grondwet geeft al aan hoe belangrijk de
Nederlandse wetgever gelijke behandeling en het discriminatieverbod vindt:
“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen
gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet
toegestaan.”
Bestrijding discriminatie
De noodzaak van het bestrijden van discriminatie is in goed Hollands een ‘no-brainer’, iets waar je niet lang over hoe na te denken. Allereerst is het van belang voor degene die de
kans wordt ontnomen om zijn waarde te bewijzen of die toegang tot een publieke dienst wordt onthouden, maar discriminatie is ook
een gewoonte die ondernemers, consumenten en samenlevingen geld kost. Het is een
wijsheid die Nobelprijswinnaar Gary Becker (1957) ooit heeft bestudeerd en zijn
analyse komt er op neer dat mensen die discrimineren zich zelf eigenlijk
een winstbron - letterlijk maar ook figuurlijk - onthouden omdat zij contact met een bepaalde groep willen
vermijden. Discriminatie is niet meer dan een voorkeur of een smaak volgens
Becker. In het publieke debat worden werkgevers aangewezen als boosdoeners
die discrimineren, maar uiteraard kunnen werknemers en consumenten net zo
goed discrimineren. Werknemers kunnen bijvoorbeeld contact met bijvoorbeeld
minderheden op de werkvloer uit de weg gaan of wegpesten. Consumenten
kunnen bij de aanschaf van goederen hun discriminerende voorkeuren uitten,
bijvoorbeeld door een
bod op een huis uitgebracht door een buitenlander te weigeren ten faveure
van iemand uit de eigen groep. De interpretatie van discriminatie als een
voorkeur is een eenvoudige, maar als dit waar is maakt het ook meteen
duidelijk waarom discriminatie zo moeilijk te bestrijden is omdat
voorkeuren zich moeilijk laten veranderen.
De noodzaak van het bestrijden van discriminatie is in goed Hollands een ‘no-brainer’.
Dat is anders gesteld bij de theorie van Nobelprijswinnaar Edmund Phelps (1972) die
discriminatie ziet als een beslissing genomen op basis van imperfecte
indicatoren van kwaliteit. Werkgevers hebben te maken met informatiekosten
en baseren zich daarom in hun aannamebeleid van een kandidaat op basis van
informatie over groepen waar die kandidaat deel van uitmaakt. Leeftijd
hoeft niets te zeggen over een kandidaat en toch hebben werkgevers a priori
een beeld van een oudere werknemer alleen al door leeftijd als signaal van
kwaliteit te nemen. Deze vorm van discriminatie is begrijpelijk maar ook verwerpelijk. Echter, deze kijk op discriminatie heeft als voordeel dat
beelden en verwachtingen van groepen bijgesteld kunnen worden en dat
informatie invloed – positief en negatief – kan uitoefenen op
discriminatoir gedrag.
Verkiezingsprogramma’s
Politieke partijen worstelen met bovenstaande opvattingen omdat
antidiscriminatiebeleid neerkomt op straffen of verbieden van voorkeuren of
meningen. In een land waar men graag zijn voorkeuren luidkeels uit kan
dergelijk beleid op veel weerstand rekenen. Het feit dat Geert Wilders tot nog toe
garen spint in termen van populariteit door zijn ‘minder
Marokkanen’-uitspraak geeft aan dat sommige kiezers in navolging van
Wilders vinden dat de vrijheid van meningsuiting ongelimiteerd mag of
behoort te zijn. De rechter oordeelde daar duidelijk anders over in
december 2016 en Wilders werd veroordeeld voor groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie. De PVV is dan ook de enige partij die
uitdrukkelijk een geloofsgemeenschap ‘discrimineert’ door prominent de taak
‘Nederland de-islamiseren’ als eerste programmapunt te noemen.De meeste gevestigde partijen nemen afstand van het PVV-standpunt en laten zich nadrukkelijk wel gelden op het
bestrijden van discriminatie.
Een partij als 50plus komt op voor de rechten
van ouderen; de nieuwe partij DENK komt op voor gelijke kansen van
minderheden en het bestrijden van racisme. Met een waaier aan
corrigerende en controlerende maatregelen proberen deze partij de Nederlandse burger op het rechte pad te krijgen. Zo bepleit men de oprichting van
een Racismepolitie: duizend agenten moeten worden vrijgemaakt voor het
vervolgen van mensen die racistisch of discriminerend gedrag vertonen. Men
bepleit ook een zogenaamd Racismeregister “waarin alle racistische en
discriminerende uitingen die gedaan zijn verzameld worden, met de bedoeling
om mensen die in dit register voorkomen niet meer in aanmerking te laten
komen voor een baan bij de overheid.” Racisme is overigens een breed begrip
dat niet alleen door DENK maar ook door wetgevers breed wordt
geïnterpreteerd. In het internationale verdrag tot uitbanning van
rassendiscriminatie worden ras, huidskleur, afkomst of nationale of
etnische afstamming genoemd als onderscheidende eigenschappen.
Voor DENK en de nieuwe partij van Sylvana Simons – Artikel 1 - is het bestrijden van ongelijke kansen en racisme de kern van hun
bestaan. Voor de gevestigde partijen aan de linkerzijde van het spectrum is dit doel een belangrijk onderdeel in hun totaalpakket en benadrukken ook andere
vormen van discriminatie. De partijen SP, Groen Links, PvdD en PvdA gaan
ook minder dwingend te werk om discriminatie te bestrijden via (grond)wet-
en regelgeving, hoewel men ook via de weg van hogere strafmaten (PvdA, PvdD, GL) de discriminatie probeert te bestrijden.
Discriminatie op de arbeidsmarkt wordt via meer dwingende methodes
benaderd: benoemen en veroordelen oftewel ‘naming and shaming’ (PvdA en SP), uitsluiten van
overheidscontracten voor overtreders (GL), meer middelen voor de
arbeidsinspectie (PvdA, GL en SP) en de PvdA en GL willen anoniem
solliciteren binnen de publieke sector invoeren. D66 vraagt aandacht over
de volle breedte van het terrein en is ook minder dwingend. Voor de VVD is
de afwijzing van discriminatie een logisch voortvloeisel van
meritocratische principes maar men gaat in het programma maar beperkt in op
de problematiek en de aanpak ervan.Via de weg van voorlichting, onderwijs en handhaving van de wet (p. 17) probeert men het probleem aan te pakken.
Perceptie van discriminatie
Discriminatie draait om ongelijke kansen. En de bestrijding van
discriminatie komt in wezen neer op het beslechten van barrières zodat
iedereen gelijke kansen krijgt in het leven. Die kansen worden beperkt doordat men geen goede toegang heeft tot bijvoorbeeld publieke
voorzieningen zoals school, zorg, recht, of de arbeidsmarkt. Aangezien
percepties en individuele ervaringen een rol spelen bij het uitbrengen van
een stem tijdens de verkiezingen is de vraag relevant hoe sterk de Nederlandse burger denkt dat
discriminatie een probleem is en nog basaler: hoe vaak komt het voor? Op basis van een
Eurobarometerpeiling gehouden in mei/juni 2015 en een vergelijkende peiling
in 2012 kunnen we niet alleen een beeld krijgen hoe de Nederlandse burger
tegen dit probleem aankijkt maar vooral ook hoe deze kijk zich verhoudt tot
die van andere EU-burgers en hoe die kijk ontwikkelt in de tijd.
Figuur 1: Frequentie van discriminatie in Nederland en EU, 2012-2015
Bron: Eurobarometer (2015, 2012)
Figuur 1 laat zien hoe wijdverspreid respondenten denken dat discriminatie
is voor op een aantal terreinen. Discriminatie op basis van etnische
achtergrond is volgens 84 procent van de Nederlanders (redelijk)
wijdverspreid, terwijl het Europese gemiddelde 64 procent bedraagt. Ook
denken Nederlanders veel meer dan andere Europeanen dat discriminatie van
lesbiennes, homosexuelen en bisexuelen (LHB) en religieuze groepen
wijdverspreid is. Uit het vergelijkbare Eurobarometer-onderzoek van 2012
komt naar voren dat in de Europese Unie (EU) en Nederland in de ogen van de
burgers vooral de politiek beladen vormen van discriminatie – naar
etniciteit, religie en LHB – sterk zijn toegenomen, maar wel in min of meer
gelijke mate.
Dit soort cijfers zijn moeilijk te vergelijken met echte gevallen van
discriminatie omdat de groepen die zij vertegenwoordigen zeer ongelijk naar
omvang zijn. Ter vergelijking, het CBS (2016) rapporteerde vorig jaar over
discriminatiemeldingen bij gemeenten. Er kwamen in 2015 4.734 meldingen
binnen en de meest gerapporteerde meldingen kwamen neer: (1) ras/herkomst
(41% van alle meldingen); (2) leeftijd (11%) en (3) geslacht (8%). De sterke dominantie van racisme in discriminatie komt overeen met cijfers van andere instanties: uit cijfers van politie, College voor de Rechten van de Mens, Antidiscriminatievoorzieningen (ADV) en Meldpunt Internet Discriminatie blijkt dat de helft van meldingen gebaseerd zijn op gronden van etnische herkomst of huidskleur.
De rangschikking van discriminatiegrond is eigenlijk vele jaren dezelfde, met uitzondering wellicht
van het jaar 2014 toen het aantal meldingen op basis van de ‘minder
Marokkanen’-uitspraak van Wilders uitschoot naar 11.553 meldingen. Voor 2014 schommelde het aantal meldingen rond zevenduizend. Wat verder opvalt in de cijfers is dat de maatschappelijke terreinen waarop discriminatie plaatsvond
door de jaren heen ook een zelfde rangschikking kent. Om de cijfers voor
2015 te noemen: (1) de arbeidsmarkt (28% van alle meldingen); (2)
collectieve voorzieningen (12%); en (3) commerciële dienstverlening (9%).
Wederom was 2014 een uitzonderlijk jaar omdat toen het terrein van de
publieke opinie met 49% van de meldingen werd genoemd. De ‘minder Marokkanen’-uitspraak van Wilders van 19 maart 2014 is de belangrijkste
oorzaak voor dit uitzonderlijk hoge cijfer.
Arbeidsmarktdiscriminatie
Het feit dat de arbeidsmarkt in de praktijk het meest wordt genoemd is niet
verwonderlijk. De arbeidsmarkt is immers een belangrijke plek om een
bestaan op te bouwen. Wie geen toegang tot werk krijgt op oneigenlijke
gronden of hinder in zijn dagelijkse werk ondervindt van discriminerende
activiteiten (zoals pesten of het ontzeggen van promotie), krijgt dus niet
die gewenste kansen. Discriminatie wordt vaak genoemd als verklaring voor
de lage arbeidsparticipatie van migranten waarbij vaak een beschuldigende
vinger wordt uitgestoken naar de werkgever. Hoe dit ook zij, meer dan
andere Europeanen, denken Nederlanders dat er veel wordt gediscrimineerd op
de arbeidsmarkt. Figuur 2 geeft de uitkomsten weer op de volgende vraag:
“In (Nederland) wanneer een bedrijf iemand in dienst wil nemen en de keuze
heeft tussen twee kandidaten met gelijke vaardigheden en kwalificaties
welke van de volgende criteria zullen, naar uw mening, een nadeel vormen
voor een kandidaat?” In de figuur is de situatie in 2012 en 2015
weergegeven.
Figuur 2: Kenmerken die - naar oordeel respondenten - een nadeel vormen bij verkrijgen van een baan, 2012-2015
Bron: Eurobarometer (2015, 2012)
Leeftijd (55+) komt er als belangrijkste discriminerende factor uit de bus,
op de voet gevolgd door uiterlijk, huidskleur of etniciteit of het hebben
van een handicap. De buitengewone positie van Nederland is niet het enige
opvallende aan deze figuur. De groei in discriminatie in Europa en vooral
in Nederland is ook opmerkelijk, waarbij de Nederlandse groei op tal van
belangrijke kenmerken het Europese groeigemiddelde overstijgt.
Zoeken naar oorzaken
De sterke stijging van vermeende discriminatie tussen 2012 en 20115 in Nederland roept om een verklaring.Het zal voor sommige mensen verleidelijk zijn om hier de opkomst van DENK
(gestart in februari 2015) en de participatie van Sylvana Simons in deze
partij als een belangrijke oorzaak te zien. Deze partij en Simons beginnen
zich echter pas in mei 2016 goed te roeren en kan dus niet de groei
verklaren. De Eurobarometerpeiling vond immers in 2015 plaats.
Een logische verklaring zou de discriminatie-ervaringen van Nederlanders kunnen zijn. Wie veel discriminatie vermoedt zou zelf ook het slachtoffer van discriminatie kunnen zijn geweest. In het onderzoek van de Eurobarometer wordt de vraag gesteld: Hebt u zich
in de afgelopen 12 maanden persoonlijk gediscrimineerd gevoeld of bent u
gepest/lastig gevallen op basis van een van de volgende gronden? De gronden
waarop men kon kiezen zijn opgesomd in figuur 3 waarbij men meerdere
gronden kon noemen.
Figuur 3: Discriminatie-ervaringen in de laatste 12 maanden, Nederland en EU in 2015
Bron: Eurobarometer (2015)
Het meest opvallende is dat de discriminatie-ervaringen van Nederlanders
niet veel verschillen van die van andere Europeanen. Het enige element
waarop Nederland er uit springt is het leeftijdsdiscriminatie van
55-plussers. Discriminatie op basis van geslacht of etniciteit is zelfs
iets lager dan in Europa. Uiteraard zullen dit soort peilingen verschillen
van de cijfers die bij officiële instanties verschijnen. Voor een deel zal
dit voortkomen omdat men de overtreding niet serieus genoeg vindt om een
melding te maken of omdat men niet weet waar zij dit kunnen melden. Volgens
de Eurobarometer weet 56 procent van de Nederlanders niet waar zij naar toe moeten
als zij een melding willen maken. En volgens het SCP wordt grofweg 1 op de
8 daden van discriminatie gemeld bij politie of bureaus.
Antidiscriminatiebeleid
Van een samenleving die veel discriminatie percipieert, in het bijzonder op
de arbeidsmarkt, zou je verwachten dat er een sterke drang is naar nieuw
beleid. De linksgeoriënteerde politieke partijen dringen daar bijvoorbeeld
op aan. Maar hoe ontvankelijk zijn de kiezers voor een dergelijke
doortastendheid? Gevraagd naar de noodzaak om nieuwe
discriminatiemaatregelen te ontwikkelen is de Nederlandse burger veel
minder geneigd dan andere Europeanen om te pleiten voor nieuw
antidiscriminatiebeleid (zie figuur 4). Over de hele breedte van het
politieke spectrum lijken Nederlanders minder dan andere Europeanen
overtuigd van de noodzaak van nieuwe anti-discriminatiemaatregelen: 51
procent van de Nederlanders ziet de noodzaak tegen 62 procent van de
Europeanen. Over het algemeen staan in Nederland de linksgeoriënteerde
burgers meer open voor nieuw antidiscriminatiebeleid (57%) dan de
rechtsgeoriënteerde burgers (41%) en dat is heel anders dan in de rest van
Europa waar links én rechts in meerderheid de noodzaak inzien.
Figuur 4: Is nieuw antidiscriminatiebeleid noodzakelijk? Naar politieke
oriëntatie burgers, Nederland versus EU28, 2015
Bron: Eurobarometer (2015)
Deze bevinding lijkt ook in overeenstemming met hoe het discriminatiebeleid
in de partijprogramma’s is verwoord. Linkse partijen en one-issue-partijen
maken zich sterk om discriminatie te bestrijden. Rechtse partijen zijn daar
minder expliciet over en spreken zich niet concreet uit hoe ze
discriminatie willen aanpakken (VVD) of maken zich zelf schuldig aan vormen
van discriminatie (PVV). Het enige land in de Eurobarometerdata dat de
Nederlandse situatie weerspiegelt is Oostenrijk waar een zelfde polarisatie
in opvattingen over discriminatiebeleid is terug te vinden.
Op het eerste gezicht is deze afkeer van beleid een paradox: ondanks het
gevoel dat Nederlanders hebben dat discriminatie wijdverspreid is en je
herkomst, leeftijd of een bepaalde religie sterk je kansen op de
arbeidsmarkt vermindert, is men niet overtuigd van de noodzaak tot het
nemen van nieuwe maatregelen. Toch valt deze paradox voor Nederland voor
een deel te ontrafelen. Gevraagd naar de effectiviteit van
antidiscriminatiebeleid is de tweederde van de bevolking ervan overtuigd
dat het bestaande beleid (zeer) matig is en 5 procent meent
zelfs dat er helemaal geen bestaand beleid is.
Het bestrijden van discriminatie is natuurlijk altijd moeilijk en een nieuw en snel werkend wondermiddel zal niet snel gevonden worden. Ga maar na, de meeste
discriminatiemeldingen bij gemeenten in 2015 vallen onder de kopjes
'omstreden behandeling' (60%) en 'vijandige bejegening' (32%). Het beslechten
van dergelijke conflicten is eenvoudigweg moeizaam en gebeurt via een
rechter of een klachtencommissie.
De kiezer is een raadsel
Nederlanders zien veel meer dan andere Europeanen op veel terreinen
discriminatie voorkomen en zien vooral op de arbeidsmarkt dat minderheden
het zwaar hebben om aan de slag te komen. Vijftigers, mensen met een
donkere huidskleur, handicap of een sterk afwijkende religie hebben het
zwaar. Het verklaren van de uitzonderlijke positie van Nederland binnen de
Europese Unie is echter een moeizame exercitie. Analyse van de survey-data bieden geen hoop op een antwoord: de standaardverklaringen doen er niet toe of de sterkte van hun invloed is niet groot genoeg is om de uitzonderlijke positie van Nederland te verklaren. Uiteraard spelen leeftijd,
etnische achtergrond en ervaringen met discriminatie een belangrijke rol in de perceptie van discriminatie,
maar dat doen deze factoren ook in andere landen. Nog belangrijker is dat deze ommezwaai in Nederland in drie jaar tijd heel moeilijk met de internationale beschikbare gegevens valt te verklaren. Als we kijken naar discriminatie op basis van etniciteit, geslacht of leeftijd in OESO-landen dan bevindt Nederland zich altijd rond het midden (zie bijvoorbeeld Sonnet et al. 2014, OESO, 2015). Discriminatie vindt wel degelijk plaats in Nederland (zie SCP, 2014 en ook Van Beek et al. 1997) maar om onszelf nu tot Europees kampioen discriminatie te kronen gaat een stap te ver.
In het politieke debat is het
blote oog vele malen belangrijker dan statistische berekeningen over
loonverschillen of gemeten diversiteit op de werkvloer.
Maar wat is het dan wel? Op dit punt kan men alleen maar speculeren. De opkomst van DENK en daarna Sylvana Simons kunnen het niet zijn. En aan
de factor ‘Zwarte Piet’ kan het eigenlijk ook niet liggen. Onze
zuiderburen vieren ook Sinterklaas mét Zwarte Piet en ook daar is ophef en moeten
Zwarte Pieten minder zwart worden zoals gestipuleerd in een heus Pietenpact. Maar uit de Eurobarometerpeiling blijkt dat de perceptie van
discriminatie op de arbeidsmarkt in België vele malen lager is dan in
Nederland en op veel punten ook lager dan het Europese gemiddelde.
Zachte feiten
Het lijkt er eerder op dat er ergens anders zenuwen worden geraakt die via
standaardvragenlijsten niet boven komen drijven.
In de vroege
discriminatieliteratuur was het fenomeen discriminatie open, zichtbaar en
schrijnend. Denk aan het standaardwerk An American Dilemma (1944)
waarin Nobelprijswinnaar Gunnar Myrdal de Negro problem in het
Amerika van de jaren veertig beschreef. Maar denk ook aan het recente verleden, zoals de geweldadige arrestatie van Rodney King in 1991 in LA. Het blote oog volstond. Wie in het heden de prijs van discriminatie
wil aantonen vervalt tot statistische methoden om het onzichtbare zichtbaar
te maken. De reden waarom het beeld dat Myrdal gaf zo invloedrijk kon
worden is wellicht te wijten aan het feit dat voor het politieke debat het
blote oog vele malen belangrijker is dan statistische berekeningen over
loonverschillen of diversiteit op de werkvloer. Opportunisten in de
politiek – zowel links als rechts - hebben op die manier vrij spel en
kunnen zonder last van feiten de angst of haat van hun doelgroep bedienen.
De tegenkracht in dit spel is een kritische burger die verhalen onderzoekt
of vertrouwt op kritische journalistiek. En op dit punt kan men niet al te
hoge verwachtingen hebben. De traditionele journalistiek ziet of leest men niet en via de online-wereld komt men de boze burger in al zijn rauwheid tegen waar geen tegenkrachten zijn. De burger creëert zo zijn eigen verstoorde werkelijkheid.
Zero sum
Een andere verklaring is die van de psychologen Norton en Summers (2011) die in kaart brachten hoe sterk blanke en zwarte Amerikanen denken dat er discriminatie is richting zowel blanken als zwarten. Zij laten zien dat onder 'white Americans' de anti-zwart bias de afgelopen decennia sterk is afgenomen maar dat de anti-wit bias juist is toegenomen. De toename van de anti-wit bias is zelfs zo sterk dat deze de anti-zwart bias overstijgt: met andere woorden, blanke Amerikanen denken dat zij meer worden benadeeld dan zwarte Amerikanen. 'Black Americans' daarentegen zien dat de anti-zwart bias weliswaar iets is afgenomen maar nog wel degelijk bestaat en op een veel hoger niveau ligt dan hoe de witte Amerikanen naar hun wereld kijken. Om een lang verhaal kort te maken, de blanke Amerikanen zijn steeds meer hun samenleving gaan zien als een 'zero sum'-conflict: de verbetering van de positie van zwarte medeburgers gaat ten koste van hun eigen positie.
Wellicht is de VS ons voorland of heeft dit de Nederlands samenleving al bereikt. In de VS wordt de opkomst van de waarden en normen van zwarte minderheden als een verval van 'witte' normen en waarden gezien. De perceptie van blanke Amerikanen dat er een 'War on Christmas' is ontstaan is in zekere zin de tegenhanger van de Nederlandse Zwarte Pietendiscussie. Een blanke Zwarte Piet is winst voor de gekleurde Nederlander en een verlies voor de witte Nederlander. De bijdrage van het idee van 'zero sum'-conflict is dat gevoelens van discriminatie kunnen ontstaan waarbij iedere groep zijn eigen nadeel groter ziet dan de andere groep die hetzelfde nadeel beoordeelt, met perverse resultaten als gevolg. Misschien moet de 'Zwarte Pieten'-discussie dan toch niet te snel als oorzaak worden weggestreept.Een recente peiling van de Volkskrant (11 februari 2017) laat zien hoe veel kiezers zien dat de traditionele Nederlandse waarden onder druk staan.
Pessimistisch gestemd
De Nederlander en zijn oordeel over discriminatie is een raadsel. Het enige dat men kan concluderen op basis van deze EU-cijfers is dat men - getuige de hoge 'waargenomen' arbeidsmarktdiscriminatie - de toekomst met pessimisme tegemoet treedt. Wee degene die met een vlekje de arbeidsmarkt betreedt. Dit inzicht stemt overeen met een recente SCP-rapportage (2016) over de Nederlandse burger waaruit duidelijk blijkt hoe het negatieve gevoel van de meeste kiezers - inclusief de zwevende kiezer - overeenkomt met het sentiment in de partijprogramma's van partijen als PVV, SP, 50Plus (zie ook Garretsen en Stoker, 2017).
De burger mag een raadsel zijn, voor de verkiezingen van 15 maart lijkt het waarschijnlijk dat boosheid en pessimisme een splijtende factor zal zijn, een boosheid die bovendien het zicht op de ware aard van problemen ontneemt. Wie de komende verkiezingen wil begrijpen kan zich maar beter vastklampen aan het aloude Thomas Theorem: "If men define situations as real, they are real in their consequences".
* Dit is een uitgebreide versie van een artikel dat eerder in Demos (februari 2017) is verschenen onder de titel "Hoe Nederlanders denken over discriminatie".
Referenties:
Becker, G.S., 1957, The Economics of Discrimination, University of
Chicago Press, Chicago.
Beek, K.W.H. van, 1993. To be hired or not to be hired, the employer decides: relative chances of unemployed job-seekers on the Dutch labor market, proefschrift UvA.
Beek, K.W.H. van, C.C. Koopmans, en B.M.S. van Praag, 1997, "Shopping at the labour market: A real tale of fiction." European Economic Review 41, 2: 295-317.
CBS, 2016, Registratie discriminatieklachten bij ADVs 2015, CBS, Voorburg.
Eurobarometer, 2012,
Discrimination in the EU in 2012
, Brussel.
Eurobarometer, 2015,
Discrimination in the EU in 2015
, Brussel.
Garretsen, H., en J. Stoker, 2017, “Het sentiment in verkiezingsprogramma's 2017 op de snijtafel”,
Me Judice,
17 januari 2017.
Myrdal, G., 1944, An American Dilemma: The Negro Problem and Modern Democracy, Harper Brothers Publishers, New York.
Nationale politie, 2016,
Discriminatiecijfers in 2015
, Rotterdam.
Norton, M. I., en S.R. Sommers, 2011. Whites see racism as a zero-sum game that they are now losing. Perspectives on Psychological Science, 6(3), 215-218.
OECD, 2013, Discrimination against Immgrants, in: Migration Outlook, OECD, Parijs.
Phelps, E.S., 1972. The statistical theory of racism and sexism. American Economic Review, 62(4), 659-661.
SCP, 2014,
Ervaren discriminatie in Nederland
, Den Haag.
Sonnet, A., Olsen, H., en T. Manfredi, 2014. Towards more inclusive ageing and employment policies: the lessons from France, the Netherlands, Norway and Switzerland. De Economist, 162(4), 315-339.